Studiewijzer · 6de leerjaar
Werkwoorden en woordtekens
Je schrijft werkwoorden juist in de tegenwoordige en de verleden tijd. Je kent moeilijke meervouden en verkleinwoorden, en woordtekens zoals het trema en de apostrof.
Zo pak je het aan
- 1Zoek de persoonsvorm en het onderwerp.
- 2Zoek de stam: het hele werkwoord zonder -en.
- 3Tegenwoordige tijd: bij hij, zij, het en u is het stam + t. Staat jij achter de persoonsvorm? Dan geen t.
- 4Verleden tijd: eindigt de stam op een letter van 't kofschip? Dan -te of -t, anders -de of -d.
Voorbeeld
Vul in (vinden): Hij ___ zijn boek niet.
✅ vindt
De stam is vind. Bij hij komt er een t bij: vindt.
Woorden die je moet kennen
Klaar? Oefen nu!
Werkwoorden: tegenwoordige tijd
Ik schrijf werkwoorden in de tegenwoordige tijd juist, ook met d of t.
Werkwoorden: verleden tijd
Ik schrijf de verleden tijd en het voltooid deelwoord juist met 't kofschip.
Moeilijke meervouden en verkleinwoorden
Ik schrijf meervouden zoals knieën en steden, en verkleinwoorden zoals koninkje.
Woordtekens en hoofdletters
Ik gebruik het trema, de apostrof, het koppelteken, het accent en hoofdletters juist.
Om te oefenen meld je je aan, zo bewaren we je scores.
